Het kunnen benoemen van de belangrijkste onderdelen van uw lage rug en hoe deze onderdelen werken is belangrijk omdat u door deze kennis zorg kan dragen voor uw rugprobleem.

Dit artikel geeft een algemeen overzicht van de anatomie van de lage rug.
Het moet u helpen te begrijpen:

  • welke onderdelen deel uitmaken van de lage rug
  • hoe deze onderdelen werken
[toc]

Anatomische termen

Twee veel voorkomende anatomische termen zijn bruikbaar als ze betrekking hebben op de lage rug. De term anterieur verwijst naar de voorzijde van de wervelkolom. De term posterieur verwijst naar de achterzijde van de wervelkolom.

Het gedeelte van de wervelkolom dat de lage rug maakt, wordt de lumbale wervelkolom genoemd. De voorzijde van de lage rug wordt daarom het anterieure lumbale gebied genoemd.

De achterkant van de onderrug wordt de posterieure lumbale gebied genoemd.

Belangrijke delen van de rug

De belangrijke delen van de lumbale wervelkolom zijn:

  • botten en gewrichten
  • zenuwen
  • bindweefsel
  • spieren
  • spinale segmenten

De belangrijke structuren worden elk belicht in een aparte categorie.

Botten en gewrichten

De menselijke wervelkolom bestaat uit 24 wervels, ook wel vertebrae genoemd. Wervels worden gestapeld op de top van een ander om de wervelkolom te vormen. De wervelkolom geeft het lichaam vorm en ondersteunt het menselijk lichaam.

Kijkend naar de zijkant van de wervelkolom, vormt de ruggengraat drie bochten. De hals, de zogenaamde cervicale wervelkolom, krommen iets naar binnen. Het midden van de rug, of thoracale wervelkolom, heeft een bocht die naar buiten is gericht. De buitenwaartse kromming van de thoracale wervelkolom heet kyfose. De lage rug, ook wel de lumbale wervelkolom, krommen iets naar binnen. Een binnenwaartse kromming van de wervelkolom heet lordose.

De lumbale wervelkolom is opgebouwd uit de onderste vijf wervels. Artsen verwijzen vaak naar deze wervels als L1 tot L5. De laagste wervel van de lumbale wervelkolom, L5, is met de top van het heiligbeen, ook wel sacrum genoemd, verbonden. Het heiligbeen is een driehoekig bot aan de onderkant van de wervelkolom die past tussen de twee bekken. Sommige mensen hebben een extra, of zesde, lendenwervel. Deze extra wervel veroorzaakt meestal geen bijzondere problemen.

De lage rugwervels

Het belangrijkste deel van elke wervel wordt gevormd door een rond stuk bot, wat het wervellichaam wordt genoemd. Een andere naam voor het wervellichaam is corpus vertebrae.

De lumbale wervellichamen zijn groter en omvangrijker in vergelijking met de rest van de wervelkolom. Dit komt deels doordat de lage rug de druk van het lichaamsgewicht en van bewegingen moet weerstaan, zoals tillen, dragen en draaien. Ook grote en sterke spieren verbonden op of nabij de lumbale wervelkolom, plaatsen extra kracht op de lumbale wervels.

De botring, ook wel de arcus vertebrae genoemd, hecht aan de achterkant van elk wervellichaam. Door de botring ontstaat er een beenderige tunnel, het wervelkanaal, waarin het ruggenmerg gelegen is.

De botring kan onderverdeeld worden in een lamina en een pediculus. De lamina is het achterste deel van de botring waar zich de uitsteeksels bevinden; de pediculus is het verbindingsstuk van de botring met het wervellichaam.

Wervelkanaal

Lage rug anatomie

 

Een stuk bot steekt uit op het punt waar de twee lamina botten samen komen aan de achterzijde van de wervelkolom. Deze botuitsteeksels, genaamd processus spinosus, kunnen worden gevoeld als je met je vingers wrijft over de achterkant van je wervelkolom.

Elke wervel heeft ook twee botuitsteeksels die naar de zijkant wijzen, één aan de linkerkant en één aan de rechterkant. Deze benige uitsteeksels worden transversus processus genoemd. De benige uitsteeksels in de lage rug zijn breder dan in andere gebieden van de wervelkolom, omdat veel grote rugspieren hierop aangehecht zijn wat meer kracht met zich meebrengt.

Tussen de wervels van elk spinaal segment bevinden zich twee facetgewrichten. De facetgewrichten zijn gelegen aan de achterzijde van de wervelkolom. Er zijn twee facetgewrichten tussen elk paar van de wervels, één aan elke kant van de wervelkolom.

Een facetgewricht is gemaakt van kleine, benige knoppen die zich opstellen langs de achterkant van de wervelkolom. Wanneer deze botknoppen samenkomen, vormen ze een gewricht dat de twee wervels met elkaar verbindt. De opstelling van de facetgewrichten van de lumbale wervelkolom geeft vrijheid van beweging wanneer je voorover buigt en weer terug. Zonder de facetgewrichten zou de rug niet zo flexibel zijn, en zou het bewegen stijf verlopen.

Facetgewrichten

De oppervlakken van de facetgewrichten zijn bedekt door gewrichtskraakbeen. Gewrichtskraakbeen is een gladde, rubberachtig materiaal dat de uiteinden van de meeste gewrichten bedekt. Het laat de uiteinden van de botten soepel tegen elkaar bewegen, zonder wrijving.Gewrichtskraakbeen

Aan de linker-en rechterkant van elke wervel zit een kleine tunnel, de zogenaamde neuroforamen (foramina is de meervoudsterm). De neuroforamen is de opening waar de zenuw het ruggenmerg verlaat. Er zijn 2 neuroforamina per paar wervels. De twee zenuwen die de wervelkolom verlaten bij elke wervel gaan via de neuroforamina, één aan de linkerkant en één aan de rechterkant. De tussenwervelschijf (later beschreven) ligt direct voor de opening. Een uitpuilende tussenwervelschijf of een hernia kan de opening verkleinen en dat geeft druk op de zenuw. Een facetgewricht zit aan de achterkant van het neuroforamen. Osteofyten (botuitsteeksels die zich vormen bij degeneratie) die zich vormen op een facetgewricht, kunnen uitsteken in de neuroforamen, en verkleinen daarmee de opening van de neuroforamen, wat de zenuw irriteert.

Neuroforamen

Zenuwen

De holle buis wat gevormd wordt door de botringen op de achterkant van de wervelkolom, omgeeft het ruggenmerg. Het ruggenmerg is als een lange draad wat bestaat uit miljoenen zenuwvezels. Net zoals de schedel de hersenen beschermt, beschermen de botten van de wervelkolom het ruggenmerg.

Neuroforamen

Het ruggenmerg loopt door tot de L2-wervel. Onder dit niveau, omsluit het wervelkanaal een bundel zenuwen die naar de onderste ledematen en bekkenorganen gaat. De Latijnse term voor deze bundel van zenuwen is cauda equina, wat paardenstaart betekent.

Tussen de wervels, verlaten twee grote zenuwen het ruggenmerg, één aan de linkerkant en één aan de rechterkant. De zenuwen passeren de neuroforamen van elke wervel. Deze spinale zenuwen samen, vormen de belangrijkste zenuwen die naar de organen en ledematen gaan. De zenuwen van de lumbale wervelkolom (cauda equina), gaan naar de bekkenorganen en de onderste ledematen.

Onderrug

Bindweefsel

Bindweefsel is een netwerk van vezels, dat de cellen van het lichaam bij elkaar houdt. Ligamenten bestaan uit sterk bindweefsel en hechten botten aan andere botten. Een aantal lange ligamenten komen voor op de voor-en achterzijde van de wervels. Het anterieur longitudinaal ligament loopt lengtegewijs naar beneden over de voorkant van de wervellichamen. Twee andere ligamenten liggen met de volle lengte binnen het wervelkanaal. Het posterieur longitudinale ligament hecht aan de achterzijde van de wervellichamen. Het ligamentum flavum is een lange elastische band die aansluit op de voorkant van de lamina botten (net achter het ruggenmerg). Dikke ligamenten verbinden ook de botten van de wervelkolom met het heiligbeen (het bot onder L5) en het bekken.

Ligamenten

Een speciaal type van structuur in de wervelkolom heet de tussenwervelschijf (intervertebrale discus) wat ook gemaakt is van bindweefsel. De vezels van de tussenwervelschijf worden gevormd door speciale cellen, de zogenaamde collageencellen.

Een tussenwervelschijf bestaat uit twee delen. Het centrum, genaamd de nucleus, is sponsachtig. Het biedt de meeste mogelijkheden van de tussenwervelschijf om schokken te absorberen. De nucleus wordt op zijn plaats gehouden door de annulus, een reeks van sterke bindweefselringen eromheen. Door de bindweefselringen, worden de krachten op gelijke mate verdeelt over de gehele tussenwervelschijf.

Tussenwervelschijf

Spieren

De spieren van de lage rug zijn gerangschikt in lagen. De laag die het dichtst bij het oppervlak van de huid ligt, de oppervlakkige laag , wordt bedekt met een dik weefsel wat de fascia heet. De middelste laag, genaamd de erector spinae, heeft bandvormige spieren die op en neer lopen over de onderste ribben, borst en lage rug. Ze voegen zich samen in de lumbale wervelkolom in een dikke pees die de beenderen van de lage rug, bekken en heiligbeen bindt.

De diepste laag van spieren hecht zich langs de achterkant van de wervelkolombotten, en verbindt de lage rug, bekken en heiligbeen. Deze diepste spieren coördineren hun acties met de spieren van de buik om te helpen om de wervelkolom stabiel te houden tijdens de activiteit.

Spinaal segment

Een goede manier om de anatomie van de lumbale wervelkolom te begrijpen is door te kijken naar een spinaal segment. Een spinaal segment is dat deel van het ruggenmerg waaruit elk paar spinale zenuwen ontspringt. Elke spinale segment omvat twee wervels gescheiden door een tussenwervelschijf, de zenuwen die de wervelkolom verlaten bij elke wervel, en de kleine facetgewrichten dat elk niveau van de wervelkolom verbindt.

De tussenwervelschijf scheidt de twee wervellichamen van het spinaalsegment. De tussenwervelschijf werkt normaal als een schokdemper. Het beschermt de wervelkolom tegen de dagelijkse trek van de zwaartekracht. Het beschermt ook de wervelkolom tijdens zware activiteiten die een sterke kracht hebben op de wervelkolom, zoals springen, lopen en tillen.

Het spinale segment is verbonden door twee facetgewrichten, zoals eerder beschreven. Wanneer de facetgewrichten van de lumbale wervelkolom naar elkaar bewegen, buigen ze en draaien ze de lage rug.