CartRevive, de injecteerbare hydrogel van Hy2Care, werd jarenlang gepresenteerd als dé doorbraak in de orthopedie – en zelfs als een toekomstige oplossing voor artrose. Vanuit de Universiteit Twente, onder leiding van prof. Marcel Karperien, werd de technologie ontwikkeld en in de markt gezet via spin-off Hy2Care. ReumaNederland profileerde het project als “de injecteerbare artrosepleister” en was financieel betrokken bij Hy2Care met €1 miljoen aan financiering. ReumaNederland noemt daarnaast onderzoeksfinanciering; het bredere traject werd bovendien gedragen door miljoenen aan subsidies en andere financieringsbronnen. Maar achter de marketing schuilt een ander verhaal: een product dat nog steeds kampt met fundamentele problemen én een systeem waarin belangenverstrengeling de toon zet.
Preklinische dierstudies: van hoge verwachtingen naar harde grenzen
Hy2Care startte in 2014 met preklinisch onderzoek in paardmodellen, volgens de eigen tijdlijn met de claim dat cellen binnen twee weken het hydrogel-implantaat binnengroeiden. In 2018 werd zelfs gesproken over baanbrekend herstel. Maar opmerkelijk genoeg liet het latere promotieonderzoek van Alma Banigo – uitgevoerd in dezelfde groep van prof. Karperien – iets heel anders zien: in levende gewrichten was de hydrogel vaak al binnen een maand verdwenen. 1
Banigo beschrijft dat de hydrogel in kadaverstudies goed behouden bleef, maar dat in vivo experimenten in paardenknieën lieten zien dat het materiaal binnen een maand grotendeels verdwenen was (Banigo, 2024, p. 207–208).
Zonder voldoende retentie kan er geen stabiel hyalien kraakbeen ontstaan — hooguit tijdelijk littekenweefsel of opnieuw een kraakbeendefect.
Proefschrift: sleutelen aan de formule
Binnen de Universiteit Twente werd dit kernprobleem nadrukkelijk erkend. In haar proefschrift concludeert Banigo (2024) dat de grootste uitdaging van de dextran–hyaluronzuur-hydrogel ligt in het verbeteren van de mechanische stabiliteit en retentie binnen kraakbeendefecten (p. 259–260).
Daarna werden varianten op dezelfde basisformule getest:
- HA-TA + Gel-TA: betere celviabiliteit, maar mechanisch zwak.
- Dex-TA-Mal (maleimide-variant): sneller crosslinken en biomolecuulkoppeling mogelijk, maar met lichte daling in celviabiliteit.
Het proefschrift trok uiteindelijk een duidelijke conclusie:
Banigo benadrukt dat verdere optimalisatie noodzakelijk is voordat toepassing in de klinische praktijk mogelijk wordt (Banigo, 2024, p. 259–260).
Met andere woorden: zelfs meer dan vijftien jaar na de eerste experimenten en ruim tien jaar na de oprichting van Hy2Care kampt de hydrogel nog altijd met dezelfde fundamentele tekortkomingen. Het onderzoek verschoof wel richting bioactieve varianten, die stamcellen actiever moeten sturen richting hyalien kraakbeen — maar ook dat bleef in 2024 vooral toekomstmuziek.
Terwijl Hy2Care in Nederland nog steeds sleutelt aan de basis, laten laboratoria in de VS zien dat de volgende generatie hydrogels al in dierproeven wordt getest. Biomedische gels die niet alleen op hun plek blijven, maar ook actief weefselgroei stimuleren.
Klinische studies: de sprong naar patiënten
Hy2Care startte in 2022 met een First-in-Human studie in Nederland. In 2023–2024 werd deze uitgebreid naar Maastricht en Tilburg. Eind 2024 waren in totaal 46 patiënten behandeld. In 2025 kreeg het bedrijf FDA-goedkeuring voor een parallelle studie in de VS.
- Doelgroep: jonge patiënten met een klein, afgebakend kraakbeendefect.
- Status anno 2025: Hy2Care claimt positieve resultaten, maar er zijn nog geen onafhankelijke, peer-reviewed publicaties met histologisch bewijs dat de gel écht hyalien kraakbeen oplevert in mensen.
Dat betekent dat patiënten al behandeld zijn terwijl de academische lijn (scripties, PhD’s) nog stelde dat verdere optimalisatie nodig was.
Het marketingnarratief: van moeder tot miljoenenmarkt
Naast de laboratoriumresultaten en proefschriften presenteert Hy2Care naar buiten toe vooral een wervend verhaal. In interviews en presentaties staat de persoonlijke motivatie van CEO Leo Smit centraal: zijn moeder met artrose werd vaak genoemd als drijfveer om door te zetten. Dat geeft het project een menselijk gezicht, maar verhult niet dat de hydrogel nog altijd kampt met fundamentele beperkingen.
In glossy magazines zoals The Lens van de Life Sciences Incubator wordt CartRevive gepresenteerd als een revolutionaire oplossing: een gel die zich “binnen 60 seconden vormt naar het kraakbeendefect” en “tegen slechts 15% van de kosten van celtherapie dezelfde kwaliteit van herstel kan bieden”. De klinische resultaten worden gebracht als veelbelovend, met “significante verbeteringen in pijn en mobiliteit” bij de eerste 46 patiënten van de ACTIVE-studie.
Wat ontbreekt, zijn onafhankelijke publicaties die bevestigen welk type weefsel daadwerkelijk wordt gevormd. Tot dusver gaat het vooral om zelf-gerapporteerde scores (pijn, functie) en korte termijn waarnemingen. Of het gaat om duurzaam hyalien kraakbeen of littekenachtig weefsel (fibrocartilage) blijft onbekend.
Congresspresentaties, posts over internationale reizen en artikelen in innovatiemagazines versterken vooral één beeld: dat van een veelbelovende technologie die de wereldmarkt kan veroveren. Daarmee verschuift de aandacht van kritische wetenschappelijke vragen naar een narratief dat vooral investeerders en beleidsmakers moet overtuigen.
De rol van ReumaNederland
ReumaNederland was in dit traject niet alleen een partij die op afstand subsidie verstrekte. De organisatie was financieel én communicatief zichtbaar betrokken bij het project rond Hy2Care en CartRevive. ReumaNederland stelt zelf dat er €1 miljoen aan financiering richting Hy2Care is gegaan, naast onderzoeksfinanciering. Los daarvan werd het traject mede gedragen door subsidies en andere financieringsbronnen, waardoor de totale geldstroom rond het project in de orde van miljoenen ligt.
Die betrokkenheid bleef niet beperkt tot geld. ReumaNederland gebruikte CartRevive jarenlang als voorbeeld van innovatie in haar publiekscommunicatie: met nieuwsberichten, video’s en de framing van de “injecteerbare artrosepleister”. Daarmee kon bij donateurs en beleidsmakers — en vooral bij de doelgroep die ReumaNederland zegt te vertegenwoordigen — de indruk ontstaan dat dit project direct perspectief bood.
Tegelijk richt CartRevive zich niet op mensen met reuma of artrose, maar op een specifieke, afgebakende doelgroep: relatief jonge patiënten met een klein, geïsoleerd kraakbeendefect.
Dat staat op gespannen voet met de manier waarop het project in bredere communicatie is gepositioneerd richting de brede groep reumapatiënten — waaronder mensen met artrose — waarvoor ReumaNederland middelen werft en haar maatschappelijke rol als belangenbehartiger claimt.
Juist daarom is transparantie essentieel. Wanneer een organisatie tegelijk intensief communiceert over een innovatietraject én daar financieel bij betrokken is, mag je verwachten dat helder wordt gemaakt: voor wie is het bedoeld, wat is de stand van bewijs, en hoe verhoudt dit zich tot de patiëntenbelangen die men zegt te vertegenwoordigen?
Hoeveel geld ging erin?
Hy2Care is gefinancierd via een mix van private investeringen en (Europese/Nederlandse) subsidieprogramma’s. Op basis van publiek gecommuniceerde bedragen zijn in elk geval deze bedragen concreet te herleiden:
– 2019: €3,7 miljoen (Series A)
– 2022: €6 miljoen EU-financiering (EIC Accelerator)
– 2025: €4,5 miljoen (financieringsronde)
Samen is dat minstens €14,2 miljoen aan publiek benoemde bedragen, exclusief aanvullende subsidies (o.a. EFRO/OP-Oost en andere programma’s) en overige investeringen waarvan de bedragen niet overal in één openbaar overzicht zijn gespecificeerd.
Het wiel dat blijft draaien
Het traject rond CartRevive laat zien hoe medische innovaties in Nederland vaak verlopen — in een keten waarin onderzoek, communicatie en financiering elkaar versterken:
- Universiteiten leiden studenten en promovendi op die varianten van dezelfde hydrogel testen, wat publicaties en academische output oplevert.
- Spin-offs zoals Hy2Care presenteren de technologie als een oplossing die dichterbij komt, en halen daarmee investeringen en subsidies op.
- ReumaNederland speelde in dit traject een zichtbare rol in de publiekscommunicatie: via eigen websiteberichten, updates en andere uitingen werd CartRevive jarenlang neergezet als veelbelovende innovatie (waaronder de framing van de “injecteerbare artrosepleister”).
- Subsidiegevers en beleidsmakers kunnen zulke trajecten vervolgens presenteren als “innovatie”, wat nieuwe rondes financiering en exposure legitimeert.
Het gevolg kan een zelfversterkende cyclus zijn: financiering maakt onderzoek mogelijk, onderzoek levert communicatie en zichtbaarheid op, die communicatie creëert draagvlak — en dat draagvlak wordt vervolgens gebruikt om nieuwe financiering en subsidies te rechtvaardigen.
De patiënt als bijzaak
In dit systeem raakt de oorspronkelijke belofte – een behandeling die patiënten daadwerkelijk helpt – steeds verder op de achtergrond. Bij CartRevive is dat pijnlijk zichtbaar:
- De hydrogel worstelt nog met fundamentele vragen (retentie, mechanische sterkte, fibrocartilage vs. hyalien kraakbeen).
- ReumaNederland gebruikt het project als toonbeeld van innovatie, maar haar eigen achterban – mensen met artrose – zal er nooit baat bij hebben.
Het vergeten alternatief: hydrogel + BMAC
Wat dit extra wrang maakt, is dat er al jarenlang een eenvoudig en bewezen alternatief bestaat: de combinatie van een passieve hydrogel met BMAC (Bone Marrow Aspirate Concentrate, oftewel een geconcentreerd extract van eigen beenmergcellen).
De werking is relatief simpel:
- de hydrogel fungeert als steiger (scaffold) in het kraakbeendefect,
- de cellen en groeifactoren uit BMAC leveren de bouwstenen en signalen voor nieuw weefsel.
Internationaal zijn er overtuigende resultaten geboekt met de combinatie van een hydrogel/scaffold en BMAC (Bone Marrow Aspirate Concentrate). In een studie van Gobbi et al. (2019) werden patiënten met kraakbeendefecten in de knie behandeld met een hyaluronzuur-scaffold in combinatie met BMAC. Bij een gemiddelde follow-up van 8 jaar (variërend van 6 tot 10 jaar) rapporteerden de patiënten blijvende verbeteringen in pijn, functie en kwaliteit van leven.
In Nederland is deze procedure echter praktisch verboden. Artsen die het willen aanbieden, lopen tegen tuchtrechtelijke of beroepsrechtelijke risico’s aan. Officieel heet het dat de methode “niet bewezen” is, maar in de praktijk betekent dit dat patiënten geen toegang krijgen tot een behandeling die elders al langer veilig wordt toegepast.
Ondertussen gaan miljoenen aan subsidies naar CartRevive, een product dat – ondanks jaren onderzoek – nog steeds geen bewezen klinisch voordeel laat zien.
Conclusie
CartRevive is niet alleen een hydrogel in ontwikkeling, maar ook een spiegel van een bredere systeemfout. Universiteiten, spin-offs, subsidiegevers en patiëntenorganisaties houden elkaar gevangen in een gesloten circuit waar vooral geld, status en innovatiecijfers circuleren. Voor patiënten blijft er vooral een belofte over — zonder bewijs dat die ooit wordt waargemaakt.
Zolang de fundamentele problemen met retentie onopgelost blijven en onafhankelijke klinische data ontbreken, kan CartRevive onmogelijk als medische doorbraak worden gezien. Het project symboliseert eerder een zorgsysteem dat subsidie en reputatie belangrijker maakt dan aantoonbare patiëntenzorg.
En juist dat maakt de internationale vergelijking wrang: terwijl in Nederland miljoenen verdwijnen in een hydrogel die nog altijd niet werkt, worden in de VS al de eerste dierproeven gedaan met bioactieve hydrogels van de volgende generatie.
Als financiering, communicatie en reputatie harder groeien dan het bewijs, wordt innovatie een verhaal dat zichzelf in stand houdt.




