Nog geen maand voor de verkiezingen deelt het KNGF opnieuw een lijst met politieke wensen:
fysiotherapie terug in het basispakket, NZa-minimumtarieven en minder eigen risico.
Goede punten — maar ze staan al twintig jaar op papier. En wat is er veranderd? Niets wezenlijks.
Sinds 2004 zit fysiotherapie grotendeels buiten het basispakket. Wat begon als tijdelijke bezuinigingsmaatregel, is uitgegroeid tot een structureel tekort aan toegankelijkheid.
Patiënten moeten tientallen behandelingen zelf betalen voordat er vergoeding komt, waardoor preventie plaatsmaakt voor uitstelgedrag.
De gevolgen zijn zichtbaar in elke praktijk: mensen wachten langer, klachten worden chronisch en de druk op de tweede lijn neemt toe.
Terwijl de politiek spreekt over “gezonde leefstijl”, maakt ze herstelzorg onbetaalbaar.
Het contrast is pijnlijk — en precies daar zwijgt het KNGF te vaak over.
De illusie van invloed
Wie het bericht van het KNGF leest, ziet geen neutrale analyse van verkiezingsprogramma’s,
maar een voorzichtige poging om aansluiting te zoeken bij partijen die haar lobby gunstig gezind lijken.
Zo wordt GroenLinks-PvdA geprezen om plannen om fysiotherapie terug te brengen in het basispakket
en voor hogere vergoedingen om uitstroom van jonge professionals te voorkomen.
Andere partijen worden slechts vluchtig genoemd of genegeerd.
Het resultaat: een tekst die leest als een verkapt stemadvies — niet als de stem van een zelfstandige beroepsgroep.
Daarmee verwart het KNGF politieke sympathie met invloed.
Wie afhankelijk is van de gunst van politici, kan geen echte belangenbehartiger meer zijn.
Jarenlang heeft het KNGF zijn invloed willen bewijzen via commissies, overlegtafels en adviesraden bij VWS en de NZa.
Maar wie afhankelijk wordt van uitnodigingen, wordt vanzelf meegaand.
De organisatie ontvangt inmiddels subsidies voor richtlijnontwikkeling en kwaliteitsregisters — geldstromen die onafhankelijk optreden bemoeilijken.
De prijs van ‘meedoen’ is dat scherpe kritiek verdwijnt.
In plaats van strijdbaarheid, overheerst bestuurlijke voorzichtigheid.
Wat wél nodig is:
een vereniging die niet leunt op beloftes, maar zelf druk uitoefent.
Die de politiek niet volgt, maar tegenkracht organiseert.
Die durft te zeggen: “Wij geloven niet langer in woorden — toon eerst daden.”
Zolang fysiotherapeuten hun hoop blijven vestigen op partijen die al twintig jaar niets waarmaken, blijven ze machteloos toekijken.
Echte onafhankelijkheid begint bij het durven weigeren om mee te doen aan dat toneel.
Met haar publicatie “Fysiotherapie topic in verkiezingsprogramma’s” heeft het KNGF onbedoeld een verkapt stemadvies afgegeven.
De gevolgen in de praktijk
Die vermoeidheid met loze beloftes is overal voelbaar — richting Den Haag, maar ook richting het KNGF dat daar al jaren deel van uitmaakt.
Therapeuten voelen zich onzichtbaar, onderbetaald en afhankelijk van zorgverzekeraars.
Sinds de invoering van de zorgverzekeringswet in 2006 is de eerstelijnszorg langzaam uitgekleed.
De tarieven worden bepaald door “marktwerking”, maar die markt bestaat niet:
vier grote verzekeraars hanteren dezelfde NZa-richtlijnen, en de beroepsgroep heeft nauwelijks onderhandelingsmacht.
Het KNGF had daartegen kunnen vechten.
In plaats daarvan verdween de energie in vergaderingen, beleidsnotities en werkgroepen — een eindeloze polderstructuur waarin iedereen gehoord lijkt te worden, maar niemand nog iets durft te eisen.
Het resultaat is een vak dat vastloopt in administratie, bodemtarieven en frustratie.
Steeds meer therapeuten verlaten het beroep, niet uit gebrek aan idealen, maar omdat ze in 30 minuten behandeltijd en 20 minuten papierwerk geen toekomst meer zien.
De tarieven voor fysiotherapie stegen in twintig jaar nauwelijks mee met de inflatie, terwijl de administratieve lasten verdrievoudigden.
Een gemiddelde therapeut besteedt tegenwoordig 25 tot 40% van zijn werktijd aan verslaglegging, verantwoording en contracteisen.
Volgens cijfers van het KNGF zelf verliet de afgelopen vijf jaar ruim een kwart van de jonge fysiotherapeuten het vak binnen drie jaar.
Niet omdat ze hun beroep niet mooi vinden, maar omdat het financieel en mentaal onhoudbaar is geworden.
Dat is niet alleen een beroepsprobleem, maar een maatschappelijk falen:
wie de basiszorg uitholt, krijgt duurdere zorg terug.
Het grotere plaatje
De crisis in de fysiotherapie is geen geïsoleerd probleem.
Ze is het symptoom van een breder systeem dat inzet op controle in plaats van vertrouwen, op beleid in plaats van praktijk.
Terwijl miljarden vloeien naar klimaatfondsen, migratieopvang en bureaucratische zorgstructuren, blijft de eerstelijnszorg structureel onderbetaald.
Beleidsmakers spreken over “preventie”, maar investeren in structuren die preventie juist ontmoedigen.
Nederland heeft sinds 1990 zijn binnenlandse CO₂-uitstoot met ruim een derde verminderd —
maar vooral door het sluiten van industrie en het verplaatsen van productie naar het buitenland.
De staal, kunstmest en energie die we hier niet meer maken, importeren we nu elders, vaak met hogere uitstoot als gevolg.
Het Planbureau voor de Leefomgeving noemt dit “carbon leakage”: een schone schijn op papier, terwijl de mondiale uitstoot toeneemt.
Intussen kost het klimaatbeleid tientallen miljarden.
Alleen al het Klimaatfonds bevat ruim €35 miljard aan subsidies,
aangevuld met miljarden aan energiebelastingen en heffingen die via hogere prijzen burgers én zorginstellingen treffen.
Ziekenhuizen en praktijken zien hun energiekosten exploderen,
terwijl ook verhuur en vervoer fors duurder zijn geworden door de verduurzamingsplicht en CO₂-heffingen.
Huurprijzen stijgen, materialen worden duurder, en de marges verdwijnen.
Kortom: de rekening is reëel, het effect beperkt,
en de uitstoot verschuift in plaats van verdwijnt.
Daar komt een voortdurende bevolkingsgroei bovenop:
meer dan 200.000 mensen per jaar erbij, terwijl het aantal zorgverleners nauwelijks toeneemt.
Nederland telt nu bijna 18 miljoen inwoners, en groeit volgens het CBS door naar 19 miljoen vóór 2035 — zonder dat er extra handen aan het bed of in de behandelkamer bijkomen.
Die groei vergroot de druk op alles wat al kraakt: de woningmarkt, de zorgcapaciteit en de arbeidsmarkt.
Er zijn inmiddels ruim 400.000 woningen te weinig, waardoor jonge fysiotherapeuten, verpleegkundigen en artsen uit de steden worden verdrongen.
Tegelijk stijgen de kosten van leven, vervoer en praktijkruimte,
terwijl de werkdruk oploopt en de wachttijden groeien.
Zelfs als migratie waardevol is — door arbeid, cultuur of kennis —
dan nog kraakt de zorgstaat onder een beleid dat opvang organiseert zonder perspectief, en instroom toelaat in een land waar woningen, banen en zorgplekken al schaars zijn.
Het gevolg: een zorgsysteem dat wankelt onder politieke idealen en demografische realiteit.
Fysiotherapeuten worden daarvan de stille dupe —
ze houden mensen mobiel en zelfredzaam,
maar worden behandeld alsof hun werk randzorg is in plaats van basiszorg.

Waarom juist een nee-stemadvies nodig is
Wie na twintig jaar dezelfde beloften nog steeds wacht op verandering,
moet zich afvragen of het probleem wel bij de politiek ligt —
of bij de manier waarop de beroepsgroep blijft hopen dat die politiek haar redt.
Zolang het KNGF denkt dat invloed ontstaat door beleefdheid,
blijft de fysiotherapie afhankelijk van gunst in plaats van recht.
De echte kracht ligt niet in sympathie, maar in onafhankelijkheid.
Echte onafhankelijkheid betekent dat fysiotherapeuten hun toekomst niet langer laten afhangen van politieke gunst of verzekeraars.
Het betekent dat praktijken zich verenigen in sterke collectieven die zelf tarieven vaststellen, samenwerken met werkgevers en gemeenten,
en patiënten direct laten profiteren van kortere lijnen.
In Duitsland en Scandinavië bestaan zulke modellen al:
daar onderhandelen beroepsverenigingen rechtstreeks met de overheid, niet via zorgverzekeraars.
Het resultaat is betere zorg, minder bureaucratie en meer vertrouwen.
Precies dat mist Nederland — en het KNGF zou de eerste moeten zijn die dat durft te eisen.
Daarom zou een krachtig nee-stemadvies meer betekenen dan het volgende rondje lobbygesprekken.
Niet als partijpolitiek gebaar, maar als morele grens.
Een vereniging die durft te zeggen:
Wij adviseren fysiotherapeuten om geen stem te geven aan partijen die al twintig jaar toezeggen maar niets waarmaken.”
Dat zou geen schending van neutraliteit zijn, maar een herstel van geloofwaardigheid.
Wie altijd vriendelijk blijft tegen een systeem dat niet luistert,
wordt vanzelf onderdeel van dat systeem.
Een “nee” laat zien dat de beroepsgroep zichzelf weer serieus neemt —
dat ze niet langer wacht op toestemming, maar kiest voor principes boven populariteit.
Pas dan wordt de fysiotherapie weer een kracht om rekening mee te houden.
Tijd voor herbezinning
Fysiotherapie is geen luxe, maar basiszorg.
Zonder beweging geen herstel, zonder herstel geen zelfstandigheid —
en zonder zelfstandigheid verliest een mens zijn vrijheid.
Toch behandelt het systeem fysiotherapeuten nog altijd alsof ze randverschijnselen zijn van de zorg,
terwijl zij juist de poortwachters zijn van gezondheid.
Ze voorkomen dure operaties, verminderen medicijngebruik en houden mensen aan het werk.
De toekomst van de fysiotherapie ligt niet in Den Haag, maar in de kracht van haar eigen mensen.
In praktijken die bewijzen dat kwaliteit en menselijkheid hand in hand kunnen gaan.
In therapeuten die zich niet laten ontmoedigen door regels,
maar laten zien dat echte zorg begint bij vertrouwen.
Het is tijd voor een nieuw soort vertegenwoordiging — minder bestuur, meer bevlogenheid.
Een vereniging die niet bang is om “nee” te zeggen,
omdat ze eindelijk weet waar ze voor staat.
Of zoals een fysiotherapeut het online verwoordde:
“Zolang wij zwijgen, blijven anderen aan de knoppen draaien.”
De fysiotherapie staat op een kruispunt.
Ze kan nog één verkiezing wachten, nog één keer beleefd aanschuiven — of eindelijk de regie terugpakken.
Twintig jaar overleg heeft niets opgeleverd. Tijd voor confrontatie in plaats van coöperatie.
Want wie altijd aan tafel blijft zitten, hoort nooit wat er buiten gezegd wordt.




