De discussie over PRP — platelet-rich plasma — is de afgelopen jaren zelden zo fel geweest als nu. Niet omdat de behandeling nieuw is, maar omdat het wetenschappelijke bewijs erachter opnieuw onder druk staat. Aanleiding is een recente meta-analyse naar PRP bij tenniselleboog, laterale epicondylitis, waarin zes gerandomiseerde klinische studies werden samengebracht.
De conclusie van de onderzoekers was helder en ogenschijnlijk definitief: PRP geeft geen significante verbetering van pijn of functie ten opzichte van placebo-injecties. 1
In de wereld van evidence-based geneeskunde is dat een zware uitspraak. Meta-analyses staan hoog in de bewijshiërarchie. Voor sceptici was het dan ook koren op de molen: weer een regeneratieve behandeling die de belofte niet waarmaakt.
Maar zoals vaker gebeurt bij medische innovaties, eindigt het verhaal niet bij de conclusie van de studie — daar begint het pas.
Wat werd er onderzocht?
Op papier lijkt de analyse overzichtelijk: zes RCT’s, allemaal gericht op dezelfde aandoening, allemaal met PRP-injecties als interventie. Maar wie dieper in de methodologie duikt, ziet dat de interventies biologisch nauwelijks vergelijkbaar waren.
PRP is namelijk geen gestandaardiseerd farmaceutisch product. Het is een concentraat uit eigen bloed, waarvan de samenstelling afhankelijk is van talloze variabelen: hoeveel bloed wordt afgenomen, hoe het wordt gecentrifugeerd, hoeveel bloedplaatjes uiteindelijk worden geconcentreerd, en of er witte bloedcellen aanwezig blijven.
In meerdere van de geïncludeerde studies ontbraken exacte gegevens over die biologische samenstelling. “PRP” werd gebruikt als verzamelterm, zonder dat duidelijk werd hoeveel groeifactoren daadwerkelijk werden toegediend.
Dat lijkt een detail, maar het raakt aan de kern van het debat.
De doseringskwestie
Wanneer clinici de afzonderlijke studies uit de meta-analyse naast elkaar leggen, valt één verschil direct op: het afgenomen bloedvolume — en daarmee de uiteindelijke plaatjesdosis — varieerde sterk.
In de meeste trials werd circa 15 milliliter bloed afgenomen. Slechts één studie gebruikte een aanzienlijk grotere afname, rond de 60 milliliter, wat resulteerde in een veel hogere concentratie bloedplaatjes.
Interessant genoeg was het juist die studie die wél klinisch effect liet zien.
Voorstanders van PRP wijzen hierop als cruciaal bewijs dat niet het concept faalt, maar de uitvoering. Volgens hen is lage-dosis PRP biologisch onvoldoende krachtig om chronisch peesweefsel te beïnvloeden. De meta-analyse zou daarmee vooral aantonen dat ondergedoseerde behandelingen weinig effect hebben — een conclusie die weinig verrassend is.
Critici noemen dat een gelegenheidsargument. Als een behandeling alleen werkt onder zeer specifieke omstandigheden, stellen zij, dan is de praktische waarde beperkt.
Maar de doseringsdiscussie legt wel een structureel probleem bloot: PRP wordt in onderzoek vaak behandeld als één uniforme therapie, terwijl het in werkelijkheid een spectrum is.
Methodologie versus biologie
De spanning tussen studieopzet en klinische realiteit wordt hier zichtbaar.
Gerandomiseerde trials vereisen standaardisatie: elke patiënt moet dezelfde behandeling krijgen om resultaten statistisch vergelijkbaar te maken. Maar bij PRP botst die noodzaak met biologische variatie. De samenstelling van het concentraat verschilt per patiënt en per preparatiemethode.
Wat methodologisch netjes is — gestandaardiseerde kits, vaste volumes — is biologisch niet per definitie optimaal.
Daar komt bij dat “tenniselleboog” in studies vaak als één diagnose wordt behandeld, terwijl het klinisch meerdere stadia kent: van acute inflammatie tot chronische degeneratieve tendinose. Het is aannemelijk dat regeneratieve injecties in die verschillende stadia anders werken, maar veel trials differentiëren daar niet op.
Het gevolg is statistische afvlakking: responders en non-responders verdwijnen in één gemiddelde.
De kritiek op PRP blijft overeind
Toch zou het te makkelijk zijn om negatieve studies volledig weg te zetten als methodologisch gebrekkig. Er zijn terechte redenen waarom sceptici terughoudend blijven.
Allereerst ontbreekt wereldwijde standaardisatie. PRP-systemen leveren geen uniforme preparaten, maar concentraten die variëren in plaatjesdosis, celinhoud en groeifactorprofiel. Zonder consensus over wat biologisch ‘therapeutisch’ is, blijft vergelijkend onderzoek methodologisch problematisch.
Daarnaast is reproduceerbaarheid een probleem. Als effect alleen optreedt bij specifieke protocollen of ervaren behandelaars, wordt brede implementatie moeilijk.
En tenslotte speelt het placebo-effect een rol. Injectiebehandelingen hebben een sterke contextuele component, zeker bij chronische pijnklachten. Dat maakt interpretatie van klinische verbetering complex.
Wat zegt onderzoek buiten de tenniselleboog?
De relevantie van de meta-analyse reikt verder dan één peesklacht, omdat PRP in meerdere domeinen wordt toegepast.
Bij knieartrose bijvoorbeeld is het bewijsbeeld duidelijk positiever. Verschillende meta-analyses tonen dat PRP pijn en functie vaker verbetert dan hyaluronzuurinjecties, met effecten die tot een jaar kunnen aanhouden. Vooral patiënten met milde tot matige artrose lijken te profiteren.
Dat verschil met peespathologie kan biologisch verklaarbaar zijn. Gewrichten vormen een actief synoviaal milieu waarin groeifactoren ontstekingsprocessen kunnen moduleren. Pezen daarentegen hebben een beperkte doorbloeding en lagere cellulaire activiteit, wat regeneratie bemoeilijkt.
Ook bij andere indicaties — zoals fasciitis plantaris — zijn resultaten regelmatig gunstiger dan bij chronische peesdegeneratie.
Het beeld dat ontstaat is dus niet zwart-wit: PRP lijkt bij sommige aandoeningen consistenter effectief dan bij andere.
De grotere kloof: onderzoek en praktijk
Wat deze meta-analyse vooral blootlegt, is een structurele spanning tussen twee werelden.
Aan de ene kant staat evidence-based geneeskunde, gebouwd op standaardisatie, reproduceerbaarheid en statistische significantie.
Aan de andere kant staat regeneratieve geneeskunde, waarin individualisatie, biologische variatie en technische uitvoering een grote rol spelen.
PRP bevindt zich precies op dat snijvlak — en past daardoor moeilijk in klassieke onderzoeksmodellen, vergelijkbaar met chirurgische technieken die ook sterk afhankelijk zijn van uitvoering en ervaring.
Wat moeten patiënten met deze uitkomst?
Voor mensen met tenniselleboog betekent de meta-analyse niet automatisch dat PRP zinloos is — maar wel dat het bewijs inconsistent is en dat resultaten afhangen van protocol, indicatiestadium en techniek.
Het onderstreept vooral dat niet elke PRP-injectie gelijk is, en dat claims over effectiviteit altijd in context moeten worden geplaatst.
Voor artrosepatiënten ligt het bewijsbeeld gunstiger, maar ook daar geldt dat indicatie en ziektestadium bepalend blijven.
Eindbeschouwing
De meta-analyse naar PRP bij tenniselleboog is methodologisch degelijk en haar statistische conclusie is correct binnen de onderzochte parameters.
Maar tegelijk laat zij zien hoe moeilijk het is om een biologisch variabele behandeling te vangen in gestandaardiseerd onderzoek.
De vraag die overblijft is daarom minder simpel dan voor- of tegenstanders doen voorkomen.
Niet alleen: werkt PRP?
Maar ook: welke PRP, bij wie, en in welk stadium van ziekte?
Zolang die vragen niet eenduidig worden beantwoord, zal PRP zich blijven bewegen in het grijze gebied tussen belofte en bewijs — en zullen studies en klinische ervaringen elkaar blijven uitdagen in plaats van bevestigen.




